Passeer elkaar niet zonder groeten,
maar geloof in vriendschap elke dag,
zodat voortaan in elk ontmoeten,
iets van vriendschap bloeien mag.

Iedere morgen van heel die warme zomer van 1989 kwam ik een meisje tegen van misschien twintig lentes jong, dat met haar lange, blonde, golvende haar op de één of andere manier mijn aandacht trok. Elke ochtend opnieuw, kruisten onze wegen elkaar in een kort moment van intens geluk en verademing op een stil, haast paradijselijk plekje, ver verwijderd van het drukke stadscentrum. En als ik haar dan voorbij fietste, dan riep ze heel lief: ‘Goeiemorgen, hallo of hoi!’ en lachte.

Ze deed iets ongewoons door een vriendelijke daad te stellen elke voorbijganger te groeten. In een wereld van hebzucht, egoïsme en verbittering was dit een positieve stap voorwaarts. Ik benijdde haar en besloot dat ik haar terug zou groeten.

‘Goeiemorgen,’ riep ik vervolgens de volgende dag haar lachend toe en voelde me door het korte vriendelijke contact…. geraakt.

‘Wat heb jij vandaag?’ vroeg een vrouwelijke collega nieuwsgierig. ‘Je loopt nu al de hele ochtend te fluiten.’
‘Ik ben gewoon gelukkig’, antwoordde ik haar.
‘Zomaar?’ vroeg ze nieuwsgierig.
‘Ik ben een engel tegengekomen’,  zei ik en mijn gedachten dwaalden terug naar  die ochtend.

Door zo’n vriendelijke daad te stellen als zij had gedaan, had ze me die dag nieuwe hoop gegeven om mijn medemens steeds als ‘nieuw’ te zien. Ik voelde me daardoor zo vernieuwd en zo gelukkig dat ik niet anders kon dan vrolijk zijn ècht vrolijk. Misschien dachten sommigen in mijn omgeving wel dat ‘dit’ tijdelijk was en wel weer snel zou overgaan.

Maar die engel had niet alleen ‘ingegrepen’ voor dat ene moment. Maanden daarna was ik nog zo vervuld van het ‘geluk-gevoel’, dat door mijn lichaam stroomde op die gedenkwaardige zomerdag.

Aan die mooie tijd leek geen einde te komen, totdat dat meisje op een ochtend in september was verdwenen, zonder een spoor na te laten. En ik miste haar morgengroet en lieve lach.

Ik besloot haar te gaan zoeken, maar vrijwel meteen werd mij duidelijk dat ze onvindbaar was. Ik had aan verschillende passanten gevraagd of ze haar misschien kende, maar al mijn pogingen om uit te zoeken waar ze was gebleven èn waarom ze was verdwenen waren vruchteloos.
‘Een engel’, legde ik maar steeds uit, ‘met lang blond, golvend haar, pientere ogen, en een lachend gezicht. U moét haar een keer zijn tegengekomen als u die kant op fietste’, en wees bijna wanhopig in de richting van een klein dorpje.
Maar niemand scheen mij verder te kunnen helpen. Ze moet dus echt een engel geweest zijn die op voorbeschikte tijd nieuwe hoop voor de toekomst bracht.

Nu ze was verdwenen, voelde ik me op de een of andere reden verplicht ‘iets’ voor die ander, die mij tegemoetkwam, te doen, zomaar uit liefde. Dezelfde liefde die in de ziel van die engel was en waarmee we allemaal moeten leren omgaan om een goed en respectabel leven te leiden. Ik wilde niet anders dan haar volgen.

Ik begon hiermee onmiddellijk de volgende ochtend. En hoewel die engel was verdwenen, keerde ze op een bijzondere manier terug in de karakters van die mensen die ik later allemaal nog zou ontmoeten.

‘Goeiemorgen’, zei ik tegen de zakenman. ‘Hallo’, riep ik tegen een groepje fietsende kinderen dat op weg was naar school. Ik zag dat ze allen op hun manier blij verrast waren door de onverwachte ontmoeting. Ze moesten er om lachen, groetten terug en hadden misschien daardoor een betere dag, net als ik.

‘Waar ben je mee bezig?’ had een vriend eens aan me gevraagd toen ik hem vertelde wat mij was overkomen die zomer en wat mij had aangezet tot het groeten van vreemden. ‘Vriendschap is nu met iedereen mogelijk’, vertelde ik tegen hem. ‘Ik weet zeker dat elke groet een bemoediging van zichzelf in zich heeft. Als ik me er gelukkiger door voel, waarom zou ‘die ander’ dat dan niet ervaren? Wat kan er op tegen zijn als je je bewust bent van het feit dat er velen in de samenleving kampen met een chronisch gebrek aan contact. Bijna niemand durft het initiatief te nemen tot zelfs maar een simpele groet of een glimlach. Is dat zoveel?’

‘Maar wil je dan zoiets in je eentje doen?’ wierp hij tegen. ‘Dat is toch eigenlijk onmogelijk?’
Ik dacht terug aan die engel op de fiets die de moed had gehad vreemden te groeten.
‘Het is een weldaad voor iedereen en ik geloof dat het werkt’, zei ik ernstig. Even werd het stil. ‘Weet je, soms betrekt de hemel wel eens in je leven en dan komen er van die onverwachtse buien, die je doen beseffen dat je in wezen maar een heel klein stipje bent in een onmetelijk heelal. Als een ander mens in staat is om op dat moment ‘in te grijpen’ door zo een ongewoon vriendelijke daad te stellen als het ‘groeten’, wat is daar dan slecht aan?’

Mijn vriend glimlachte. ‘Je bent een idealist.’

‘Geen idealist’, verbeterde ik hem, ‘maar realist. Je moet het alleen wel willen proberen en je kans aangrijpen als die zich voordoet. Ik geef je de garantie dat het je lukt om tenminste vijf mensen vandaag een gelukkig gevoel te bezorgen.’

‘Je gelooft er echt in hè?’ vroeg mijn vriend nog wat verwonderd.
‘Kijk maar naar mij’, zei ik triomfantelijk en voelde me de gelukkigste man van het westelijk halfrond.

 

BELANGRIJKE MEDEDELINGCORONA UPDATE

Geachte bezoeker van deze website.

Het is tijdelijk niet mogelijk om uw taalvragen te stellen via het contactformulier. 
Ik vraag hiervoor uw begrip.

A. van den Brink