Het bos was groot en dichtbegroeid met alle soorten loofbomen. Gewoonlijk is het koud in deze tijd van het jaar en soms sneeuwt het zelfs, maar deze novembermaand was betrekkelijk warm. Je had kunnen denken dat het zomer was, alleen was het hele bos bezaaid met gevallen bladeren – sommige zo geel als saffraan, sommige zo rood als wijn, sommige goud en sommige bont. De bladeren waren afgerukt door de regen, door de wind, sommige overdag, sommige in de nacht, en nu vormden zij een dik tapijt over de vloer van het bos. Hoewel de sappen aan de bladeren waren onttrokken, verspreidden ze nog een prettig aroma. Door de levende takken scheen de zon op hen neer, en wormen en vliegen die de herfststormen op een of andere wijze hadden overleefd, kropen over hen heen. De ruimte onder de bladeren verschafte een schuilplaats aan krekels, veldmuizen en vele andere schepselen die in de aarde bescherming zochten.  

In de top van een boom die alle andere bladeren had verloren, bleven er twee aan een takje hangen: Ole en Trufa. Waarom wisten ze niet, maar Ole en Trufa hadden alle regens, alle koude nachten en winden overleefd. Wie weet waarom het ene blad valt en het andere blijft hangen? Maar Ole en Trufa geloofden dat het antwoord lag in de grote liefde die zij elkaar toedroegen. Ole was iets groter dan Trufa en een paar dagen ouder, maar Trufa was knapper en fijner gebouwd. Het ene blad kan weinig voor het andere doen als de wind raast, de regen neerstroomt of de hagel begint te vallen. Toch werd Trufa bij iedere gelegenheid door Ole aangemoedigd. In de zwaarste stormen, als de donder rommelde, de bliksem flitste en de wind niet alleen bladeren, maar zelfs hele takken afrukte, zei Ole smekend tegen Trufa: “Hou je vast, Trufa! Hou je stevig vast!”

In koude en stormachtige nachten klaagde Trufa soms: “Mijn tijd is gekomen, Ole, maar jij moet niet loslaten!”
“Waarom?” vroeg Ole. “Zonder jou heeft mijn leven geen zin. Als jij valt, val ik met je mee.”
“Nee, Ole, dat moet je niet doen! Zolang een blad kan blijven hangen, mag het niet loslaten.”
“Het gaat erom of jij bij me blijft,” antwoordde Ole. “Overdag kijk ik naar je en bewonder ik je schoonheid. ‘s Nachts ruik ik je geur. Als enige blad aan een boom hangen? Dat nooit!”
“Ole, het is lief wat je zegt, maar het is niet waar,” zei Trufa. “Ik ben niet mooi meer, dat weet je heel goed. Kijk eens hoe gerimpeld ik ben, hoe verschrompeld. Er rest mij maar één ding – mijn liefde voor jou.”
“Is dat niet genoeg? Liefde is het hoogste, het mooiste waar we toe in staat zijn,” zei Ole. “Zolang we elkaar liefhebben blijven we hier, en geen wind, regen of storm kan ons vernietigen. Zal ik je eens wat zeggen, Trufa? Ik heb nog nooit zoveel van je gehouden als nu.”
“Waarom, Ole? Waarom? Ik ben helemaal geel.”
“Wie zegt dat groen mooi is en geel niet? Alle kleuren zijn even mooi.”

En juist toen Ole deze woorden sprak, gebeurde wat Trufa al die maanden had gevreesd – er stak een wind op die Ole losrukte van de tak. Trufa begon te trillen en te beven tot het leek of ook zij spoedig zou worden weggerukt, maar ze hield zich vast. Ze zag Ole vallen en door de lucht dwarrelen, en in bladertaal riep ze hem toe: “Ole! Kom terug! Ole!”

Maar nog voor ze was uitgesproken, verdween Ole uit het zicht. Hij kwam terecht tussen de andere bladeren op de grond en Trufa bleef helemaal alleen achter aan de boom.
Zolang het nog dag was, lukte het Trufa haar verdriet te dragen. Maar toen het donker en koud werd, en het hevig begon te regenen, zonk zij weg in wanhoop. Ze had het gevoel dat de schuld van alle tegenspoed van de bladeren bij de boom lag, bij de stam met zijn machtige takken. De bladeren vielen, maar de lange, dikke stam bleef stevig in de grond geworteld staan. Geen wind, regen of hagel kon hem deren. Waarom zou een boom, die waarschijnlijk het eeuwige leven had, zich druk maken om een blad? Voor Trufa was de stam een soort godheid. Hij tooide zich een paar maanden met bladeren en vervolgens schudde hij hen af. Hij voedde hen met zijn sap zolang het hem behaagde en vervolgens liet hij hen sterven van de dorst. Trufa smeekte de boom om Ole aan haar terug te geven, om het weer zomer te laten zijn, maar de boom sloeg geen acht op haar smeekbeden.

Trufa had nooit gedacht dat een nacht zo lang kon zijn, zo donker, zo koud. Ze sprak tegen Ole en hoopte op een antwoord, maar Ole zweeg en gaf geen teken van leven.
Trufa zei tegen de boom: “Je hebt Ole van me weggenomen, neem mij nu ook weg.”

Maar zelfs op deze bede reageerde de boom niet. Na een poosje doezelde Trufa weg. Het was geen slaap, maar een vreemd verlangen. Trufa ontwaakte en zag tot haar verbazing dat ze niet meer aan de boom hing. De wind had haar naar beneden geblazen terwijl ze sliep. Ze voelde zich heel anders dan gewoonlijk, wanneer ze bij zonsopgang aan de boom wakker werd. Al haar angsten en zorgen waren nu verdwenen. Het ontwaken bracht ook een bewustzijn met zich mee dat ze nooit had gekend. Ze wist nu dat ze niet zomaar een blad was, afhankelijk van iedere gril van de wind, maar een deel van het universum. Door een geheimzinnige kracht begreep Trufa het wonder van haar moleculen, atomen, protonen en elektronen – de reusachtige energie die zij vertegenwoordigde en het goddelijk plan waarvan zij deel uitmaakte.

Naast haar lag Ole, en ze begroetten elkaar met een liefde waar ze zich nooit eerder bewust van waren geweest. Dit was geen liefde die stoelde op toeval of wispelturigheid, maar een liefde eeuwig en machtig als het heelal zelf. Wat zij alle dagen en nachten tussen april en november hadden gevreesd, bleek geen dood maar verlossing te zijn. Er stak een bries op die Ole en Trufa opnam van de grond, en zij verhieven zich hoog in de lucht met de gelukzaligheid die voorbehouden is aan hen die zich hebben vrijgemaakt en die zijn versmolten met de eeuwigheid.