Hospitaal-kerkschip ‘De Hoop’

O eeuwge Vader, sterk in macht,
wiens arm betoomt der baren kracht,
die wijst de grondlooz’ oceaan
de hem gestelde perken aan,
o wil verhoren onze beê
voor hen die zijn in nood op zee!

(OUD) LIEDBOEK VOOR DE KERKEN (467:1)

1984
‘Calling all ships… Calling all ships!’ Hospitaal-kerkschip De Hoop stoomt op naar positie 56 graden 14 minuten noorderbreedte en 8 graden 45 minuten westerlengte. Avonddienst begint om 7 uur. ‘Iedereen welkom. Over.’ Terwijl de radio die woorden uitzendt geeft de 49-jarige kapitein Maarten Rog, een gedrongen man met een gerimpeld gezicht, de machinekamer de opdracht ‘Volle kracht achteruit’. Wiegend op de deining ligt het groen met witte schip te wachten.

De eerste trawler met roeststrepen die opdoemt aan de horizon groet met een lange stoot op de misthoorn. Dan verschijnt er nog een, en nog een, tot vijf grote trawlers als jonge eendjes om een trotse moeder met gestopte motoren bij elkaar liggen. Op de Atlantische Oceaan, 40 zeemijl ten zuidwesten van de Hebriden, gaat de Nederlandse vissersvloot ter kerke.


De vijftig forse vissers die per motorboot zijn opgehaald klauteren langs de touwladder het dek op, de handen nog vol schrammen en traan van het werk. In het kerkzaaltje van De Hoop, onder de waterlijn, schuiven ze in op houten banken. Bij de oude bijbel op de kansel geeft een rood lichtje aan dat de dienst op de visserijband wordt uitgezonden, zodat andere trawlers en de gezinnen thuis mee kunnen luisteren.

Sinds 1899 is het hospitaal-kerkschip De Hoop het dienende schip van de Nederlandse vissersvloot. De tegenwoordige is al het vierde schip van die naam. De taak van De Hoop, gesymboliseerd door het embleem van een kruis en de ark van Noach op de boeg, is het menselijker maken van het harde en gevaarlijke beroep van de 3500 Nederlandse zeevissers en het bieden van hulp. Op de acht reizen per jaar volgt ze over meer dan 18.000 zeemijl de vissersvloot op de Noordzee en Atlantische Oceaan om medische, technische, sociale en geestelijke steun te verlenen. In 1982 hielp het schip tijdens 230 dagen op zee 282 vissersschepen in moeilijkheden, behandelde 190 zieke of gewonde vissers en nam 43 anderen op in de eigen ziekenboeg. ‘De Hoop is een godsgeschenk, een ware engel van barmhartigheid,’ aldus de 23-jarige Peter van Beelen uit Katwijk, visser op de treiler Prins Claus.

Kapitein Rog en zijn bemanning van zestien koppen – allen gewezen vissers behalve de dominee en de dokter die elke reis wisselen – weten nooit wat de volgende radio-oproep zal brengen. Ongeacht het weer staan ze klaar. ‘Voor de vissersschepen zijn wij de vriend in nood,’ verklaart de kapitein. ‘Als een visser m moeilijkheden De Hoop oproept en ons aan de horizon ziet verschijnen, is er een ding waar hij zeker van kan zijn: hier komt inderdaad hoop.’

Als het schip voor een gewone reis van drie weken de thuishaven Scheveningen uitvaart, bevatten de tanks brandstof en water voor trawlers die te kort komen, zitten de kisten vol met honderden reserves, van transistors tot diepvriesvoedsel, en is de ziekenboeg met twaalf bedden, een apotheek en röntgenapparatuur op alles voorbereid. De Hoop heeft nog maar amper de lage kustlijn achter zich gelaten of de radio geeft al het eerste verzoek om hulp door.

Voor de kust van Northumberland is een merkwaardig dubbel ongeluk gebeurd. Twee vissers, die vanaf verschillende schepen hetzelfde net inhalen, lopen gelijktijdig oogletsel op. Aan boord van de Michiel treft een door de wind opgezwiept stuk haring Jaap Remmelzwaal in een oogbal, terwijl op de Johanna Cornelia een oog van Gijs van der Niet is verblind door roestschilfers.

In de avondschemering bij striemende regen met volle kracht voorwaarts ploegend neemt kapitein “De Hoop” voor anker in Oban, op de Hebriden. Nat als vissen manoeuvreren de boten langszij. Binnen een paar minuten meldt de 34-jarige dokter Kees Reuvers, chirurgisch assistent in het Academisch ziekenhuis van de Rotterdamse Erasmus-Universiteit, zich bij kapitein Rog. Als de twee mannen niet snel specialistische behandeling aan de wal krijgen, kunnen ze blind worden aan de gewonde ogen.

De Hoop, zet meteen koers naar de Engelse haven Blyth en meert daar ’s morgens vroeg af. Dokter Reuvers neemt de mannen mee naar het ziekenhuis, en voor twaalven zijn ze alweer aan boord. Zonlicht breekt in het boegwater tot regenbogen als De Hoop de vissersboten weer ontmoet in een brede baai, beschut tegen een aflandige storm, en de vissers keren terug naar hun eigen schip.

Terwijl drie kotters langszij komen bij De Hoop om hun watervoorraad aan te vullen, komen verzoeken binnen om een heel ander soort hulp. Twee schepen hebben storingen in de elektronische apparatuur en de 42-jarige radio-telegrafist Jan Breet wordt overgevaren om die te verhelpen. “De elektronica is onmisbaar bij de moderne visserij: voor de navigatie, omdat landen zo lastig zijn met hun territoriale grenzen, en ook om de vis te vinden,” legt hij uit.

Zoals Jan Breet een expert is in de gecompliceerde technologie van radar en sonar hebben de meeste bemanningsleden van De Hoop een combinatie van bekwaamheden te bieden. De 37-jarige stuurman Dirk Hoek is ook scheepstimmerman en filmoperateur, maar daarnaast een ervaren duiker op wie vaak een beroep wordt gedaan om netten door te knippen als die in scheepsschroeven verward zijn geraakt. De 55-jarige Adrianus Haasnoot, eerste machinist, treedt ook op als, kerkorganist. Verpleger Auke Weg, 35 jaar oud, vervult op de gezelligheidsbijeenkomsten in het kerkzaaltje de rol van bingoleider en quizmaster.

Elk jaar verstrekt De Hoop ook medische hulp aan zo’n 25 buitenlandse vissers, meestal Belgen, Britten en Denen. Maar nog nooit werd het werk zo gezegend als in die septembermaand van het jaar 1981, toen een groep van 148 Nederlandse wadlopers door de vloed werd verrast. Schepen konden niet naderen in het ondiepe water en reddingshelikopters konden maar een paar mensen tegelijk afvoeren. “Heel toevallig waren we zo dichtbij dat ik die menigte mensen kon zien, onderling met touw verbonden, toen het water ze al tot over de knieën kwam,” vertelt kapitein Rog. “We stuurden onze rubberboten uit en pikten in korte tijd bijna de helft van die mensen op. Helikopters en een reddingboot namen de rest mee.”

De eerste Hoop uit 1899 was er een met twee masten, door een commissie te water gelaten om het slopende leven van vissers te verlichten. In 1912 nam een speciaal voor dit doel gebouwde schoener het over. Het zeilschip werd later tot motorschip verbouwd. Adrianus Haasnoot, die in 1953-’54 als jonge zeeman op de tweede Hoop voer, vertelt: “In die tijd waren scheepsradio’s nog te primitief om preken mee te ontvangen of uit te zenden, dus roeiden we ’s zondags de dominee van schip tot schip. Zo leidde hij soms wel vijftien diensten per dag.”

In 1955 werd de derde Hoop in dienst genomen, een groter schip, dat zo erg slingerde dat meer dan eens een patiënt met brancard en al in de Noordzee werd gedompeld terwijl hij aan boord werd gehesen. Maar het schip verwierf de naam “Witte Engel van de zee” toen het tussen 1958 en 1961 drie seizoenen doorbracht bij de Lofoten en daar niet alleen hulp verleende aan Nederlandse maar ook aan Noorse vissers en de kustbewoners.

De vierde Hoop kwam in 1964 in dienst. Het is een schip zoals de zeeman graag ziet: de 62 meter lange romp, lichtgroen geschilderd in de kleur van de hoop, is gebouwd om stormen te doorstaan waarvoor de meeste vaartuigen haastig beschutting zoeken. De kosten van de exploitatie door de in Scheveningen gevestigde particuliere instelling komen op bijna 24 miljoen gulden per jaar. Daarvan wordt 80 percent gesubsidieerd door de overheid, de rest is afkomstig van de reders.

Maar wat De Hoop voor de vissers betekent, is niet in geld uit te drukken. Het was dan ook niet verrassend dat in 1978 een regeringsvoorstel om de subsidie in te trekken fel verzet opriep bij de vissers, die de Kamer wisten te bewegen het voorstel te verwerpen.

Het zijn vooral de kleine dingen waarvoor De Hoop belangrijk is: vingers bekneld door kabels of vergiftigd door de stekels van pietermannen, kiespijn die sterke kerels dol maakt; kleine mechanische storingen die een heel schip lam kunnen leggen. Dirk Hoek zegt: ‘Ons werk is de vissers zorg en angst te besparen, op wat voor niveau ook.’

Hetzelfde geldt voor de pastorale rol van het schip. De predikanten komen uit een uiterst toegewijde groep, behoren tot verschillende protestantse kerkgenootschappen én hebben ervaring in vissersgemeenten. ‘Het geloof van een visser is rechtlijnig en ongecompliceerd. Werkend op een stampend en slingerend dek voelt hij zich heel dicht bij God,’ zegt de legerpredikant ds. Pieter Sierat.

Bij het volgen van Jezus’ voorbeeld, het evangelie brengen vanaf een vissersboot, gaat het de dominees niet altijd voor de wind. Een eerste vereiste is dat ze geen last hebben van zeeziekte. Een andere is dat ze onbekrompen zijn. De 68-jarige ds. Cornelis van der Weele, die al veertien reizen heeft meegemaakt, vertelt: ‘De mannen zullen je begroeten met een plagende grap, je vragen de beste blote meid aan de muur te kiezen. Maar als ik in de eetzaal zit en ze komen binnen en beginnen te praten, dan komen de zorgen boven. Vissers zijn gedwongen hun problemen mee te nemen naar zee, waar ze er niets aan kunnen doen. De mogelijkheid om hun hart te luchten geeft weer moed. Dat is misschien wel het belangrijkste werk van de predikant: luisteren en hoop geven.’

De 63-jarige dominee Gerrit Blok, die er tien reizen op heeft zitten, geeft toe dat hij altijd weer verbaasd is als de vissers ter kerke komen. ‘Het zijn ruwe, woest uitziende kerels, vaak met tatoeages en oorringen. Ik denk altijd dat ze de spot met me zullen drijven. In werkelijkheid gedragen ze zich onberispelijk, en je kunt zien aan de oprechtheid waarmee ze je na afloop bedanken, dat ze bemoedigd zijn.’

Na de avonddienst melden de bemanningsleden zich om dominee Blok te bedanken voor zijn woorden. Dan volgt de ontspanning. In een recreatieruimte benedendeks zitten vissers bijeen in een lawaaiige, ongedwongen sfeer. Ze drinken, eten worstjes en spelen bingo. Voor veel vrienden, broers, vaders en zoons die op verschillende schepen werken zijn die korte ontmoetingen vaak de enige keren dat ze elkaar ontmoeten van Kerstmis tot Kerstmis.

Nico van der Plas, 39 jaar, trawler-visser uit Katwijk aan Zee, vertelt: ‘Je voelt je niet zo door iedereen vergeten als je midden op zee toch een echte zondag beleeft. Dit schip heeft zijn naam echt verdiend.’

Even voor middernacht keren de mannen terug naar hun trawlers, en tot het laatst houdt De Hoop een oogje in het zeil. Met de prijzen die ze bij het bingoën hebben gewonnen verdringen ze zich in de motorboot die hen terugbrengt naar hun schepen door de baan van een zoeklicht dat vanaf de brug van De Hoop wordt gericht. De krachtige lamp volgt de laatste man langs de touwladder omhoog tot hij veilig aan dek staat. Dan draaien de vissersschepen een voor een weg en beginnen aan een nieuwe week van oogsten op de oceaan.

Kerkschip De Hoop

Het hospitaal kerkschip De Hoop voer tot 1988.

 

 

BELANGRIJKE MEDEDELINGCORONA UPDATE

Geachte bezoeker van deze website.

Het is tijdelijk niet mogelijk om uw taalvragen te stellen via het contactformulier. 
Ik vraag hiervoor uw begrip.

A. van den Brink